Dialoog betekenis
In het gewone taalgebruik hoort er meestal een vast werkwoord bij: je voert een dialoog, of je gaat hem aan, bijvoorbeeld met iemand die kritiek op je heeft. Het Grieks leverde het woord, het Latijn gaf het door, en in de middeleeuwen dook het voor het eerst in het Nederlands op. Later is er nog een Nederlands woord voor bedacht.
De dialoog in het woordenboek: eisen en deelnemers
De zoekterm dialoog betekenis levert bij de woordenboeken een kort antwoord op: een gesprek. Het Algemeen letterkundig lexicon voegt er twee eisen aan toe. Er moet een onderwerp zijn waar het gesprek over gaat, en wat de een aanvoert moet door de ander worden weersproken. Dat vakwoordenboek legt de lat dus hoger dan de alledaagse betekenis van dialoog. Over het aantal deelnemers is datzelfde lexicon juist ruim: het noemt alleen een minimum en laat er meer toe. Het gaat bovendien niet altijd om losse personen. Wikipedia noemt ook gesprekken tussen groepen, partijen of instanties een dialoog: werknemers en hun werkgevers, of een klas en de leraar.
Tweespraak was ooit het Nederlandse alternatief
In de vijftiende eeuw is voor dialoog en voor dialogus, de Latijnse vorm, het woord tweespraak gemaakt; zo’n zelfbedacht vervangwoord heet een purisme. Daarnaast kent onze taal tweegesprek. Tweespraak en tweegesprek leggen het getal twee vast; het Griekse origineel laat dat open. Het Algemeen letterkundig lexicon wijst een vindplaats aan: in 1584 verscheen van H.L. Spieghel de Twe-spraack van den Nederduitsche letterkunst, zijn verhandeling over spraakkunst. Dat werk gaat niet alleen over taal; het is er zelf een gesprek over: Gideon Fallet en Roemer Visscher praten er met elkaar. Het vervangwoord staat er dus in de titel van een werk dat de vorm heeft die het aanduidt. Let wel op de afstand tussen beide gegevens: bedacht in de vijftiende eeuw, aangetroffen in de zestiende.
Van lógos naar diálogos
Het achterste stuk van diálogos is lógos, ‘woord’, gevormd bij het werkwoord légein, dat ‘spreken’ betekent. Etymonline volgt dat werkwoord nog een laag dieper terug, naar een Indo-Europese wortel voor ‘verzamelen’; spreken groeide daaruit, in de zin van woorden uitzoeken. Uit diezelfde stam komen legende en de hele reeks woorden op -logie. Dan het voorste stuk, dia-. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands zet daar ‘uiteen’ bij, en daarnaast ‘dwars doorheen’; Etymonline kiest bij het Griekse dia voor andere weergaven, ‘dwars over’ en ’tussen’. Bij elkaar leveren beide stukken niets ingewikkelders op dan ‘gesprek’. Dat Griekse woord kwam via het Latijn hierheen, in de vorm dialogus, al schuiven sommige woordenboeken daar het Frans nog tussen.
Hoe oud is het woord dialoog?
Ouder dan je zou vermoeden. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands wijst als vroegste Nederlandse vindplaats een dichtregel aan van tussen 1340 en 1360, waarin iemand “die dyaloghe” vertaalt: van het Grieks naar het Latijn. Uit de periode van 1380 tot 1425 stamt een tweede vindplaats, en daar draagt het de betekenis samenspraak of tweespraak. Bijna zeven eeuwen zit dialoog dus in onze taal. In zijn lemma over het voorvoegsel dia- rekent datzelfde woordenboek dialoog trouwens tot de oudste Nederlandse woorden waarin dat voorvoegsel zit. Op een woordenlijst is 1380 als eerste jaartal blijven staan. Dat getal is de afronding van 1380 tot 1425, overgenomen uit een ander woordenboek; het wijst niet naar de oudste vindplaats.
De filosofische dialoog kent een vragende en een spottende soort
In de gesprekken die Plato opschreef, speelt Socrates de onwetende: hij houdt vol dat hij zelf weinig weet. Dan stelt hij de ene vraag na de andere, tot zijn gesprekspartner aan zijn eigen idee van goed en kwaad gaat twijfelen. Die vorm heet de socratische dialoog: een genre in proza, rond 400 voor Christus in Griekenland ontstaan; de bekendste voorbeelden komen van Plato en Xenophon. Het Algemeen letterkundig lexicon noemt het een spel van vragen en antwoorden waarin stap voor stap zichtbaar wordt hoe een kwestie is opgebouwd. Na Plato namen anderen de vorm over: Cicero, Justus Lipsius en de Nederlander Coornhert. Er is ook een tweede soort, de lucianische dialoog. Daar ligt het standpunt van tevoren vast en brengt het gesprek dat met spot en een moraal naar voren; Erasmus schreef in 1518 zo’n werk.
De dialoog als bouwsteen van een verhaal
Op de planken zijn het de dialogen die een stuk in beweging brengen en houden. Het Algemeen letterkundig lexicon noemt de dialoog daarom een vast bouwelement van het drama, want de verwikkeling wordt opgebouwd uit de zinnen die de personages tegen elkaar richten. Voor een afzonderlijke beurt bestaat er een eigen woord: repliek. Dat is niet de enige vakterm die de letterkunde heeft; bij alliteratie betekenis staat er nog zo een. Een dialoog doet in fictie meer dan feiten overbrengen. De manier waarop een personage praat, verraadt wat voor type het is, en achter de uitgesproken zinnen kan een tweede laag schuilgaan die de spanning opvoert.
Muziek en film gebruiken het woord anders
Twee solo-instrumenten die samenspelen heten bij Wikipedia een dialoog, ook al valt er tussen die twee geen enkel woord. In een concert doet de solist hetzelfde met een heel orkest, en de pianist met de zanger die hij begeleidt. Er hoort zelfs een eigen werkwoord bij: dialogeren. In de filmwereld ligt het omgekeerd: daar staat het woord voor alle tekst die er gesproken wordt. In zijn voorbeeldzin noemt WikiWoordenboek juist films die het helemaal zonder stellen.
Wat is er van dialoog afgeleid?
Een woord dat zo lang meegaat, brengt onderweg nieuwe woorden voort. Aan dialoog hangen samenstellingen als dialoogvorm, dialoogpartner en dialoogregisseur, en er staat een werkwoord naast: dialogiseren, een tekst opzetten als een gesprek. De oudste vindplaats daarvan is van 1782, toen nog geschreven als dialogiseeren. Ze staat bij Wolff en Deken. Hun personage zegt dat het woord een eigen vondst is en legt het meteen aan de lezer voor. Het woordenboek dat die vindplaats geeft, houdt er wel een slag om de arm: dialogiseren kan net zo goed uit het Frans of het Engels zijn overgenomen. Als dat klopt, zou een woord dat een eigen maaksel leek opnieuw geleend zijn, net als het woord waar het van komt.