Selecteer een pagina

Soevereiniteit betekenis

Soevereiniteit is de hoogste macht die in een staat bestaat, een gezag waar niets meer boven staat. Eeuwenlang werd die macht aan een vorst toegeschreven; in landen als Duitsland, Frankrijk en België geldt nu het volk als de bron ervan.



Aan het begin van het woord stond een persoon. Soevereiniteit is afgeleid van soeverein, een leenwoord uit het Frans dat in het Middelnederlands de hoogste gezagsdrager aanduidde. Als zelfstandig naamwoord betekent soeverein nog altijd vorst. Hoe zo’n woord later ook bij een heel land ging horen, laat het Engels zien: daar is sovereignty in de zin van een zelfstandig bestaande staat pas vanaf 1715 gedocumenteerd. Je komt soevereiniteit tegen in het staatsrecht, in de wereldpolitiek en in de geschiedenisles, waar het draait om de vraag waar het hoogste gezag zijn recht vandaan haalt.

Wat betekent soevereiniteit voor een staat?

Soevereiniteit betekent dat een bestuur het hoogste gezag mag voeren zonder zich tegenover een ander orgaan te hoeven verantwoorden. Wikipedia legt de nadruk op dat recht, woordenboeken kijken eerder naar een toestand. WikiWoordenboek noemt naast het opperste gezag in een staat een ruimere lezing: nergens van afhangen. Als synoniem staat er handelingsvrijheid bij.

Bij een staat heeft het begrip twee kanten. Er mag niemand boven hem staan, en andere landen moeten dat erkennen. Een derde aspect maakt het minder vast dan het klinkt: soevereiniteit is onderhandelbaar. Bij wie dat hoogste gezag berust, en op welke grond, is in de loop van de eeuwen dan ook meer dan eens veranderd.



betekenis soevereiniteit, gouden kroon op een doos

Waarom 1648 niet het geboortejaar van soevereiniteit is

Vaak lees je dat de soevereine staat in 1648 is geboren. Dat jaar werden in Osnabrück en Münster twee vredesverdragen gesloten die een eind maakten aan de Dertigjarige Oorlog, en daarbij kreeg de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de jure erkenning van haar onafhankelijkheid. Het woord soevereiniteit staat echter in geen van die verdragen, en het idee wordt er evenmin in vastgelegd. Het begrip was toen bovendien al ruim zeventig jaar oud: de Franse denker Jean Bodin had het in 1576 beschreven.

Dat er sindsdien een Westfaalse orde van soevereine staten bestond, is dus een mythe. Het verhaal ontstond pas in de negentiende eeuw, de periode waarin de soevereine staat echt doorbrak. Leo Gross gaf het in 1948 met een essay een invloedrijke vorm.

Hobbes en de Leviathan: gehoorzamen in ruil voor bescherming

Drie jaar na Westfalen, in 1651, verscheen Leviathan van de Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679). Hij staat bekend als een verdediger van het absolutisme. Mensen kunnen volgens hem alleen tegelijk hun geweldsmiddelen neerleggen als ze die via een sociaal contract overdragen aan een macht boven hen. Die macht is de soeverein, en Hobbes geeft haar de naam Leviathan.

Toch is die soeverein geen heerser zonder voorwaarde. Burgers zijn hem gehoorzaamheid verschuldigd zolang hij hen kan beschermen. Kan hij dat niet meer, dan vervalt volgens Hobbes ook de plicht om te gehoorzamen.



Volkssoevereiniteit: Rousseau legt het gezag bij de burgers

In Amsterdam drukte Marc-Michiel Rey in 1762 de eerste uitgave van Du contrat social, en de Staten-Generaal verboden het boek. De Zwitsers-Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau draaide daarin de redenering om. Macht en recht worden niet gerechtvaardigd door een heerser aan de top, maar door de algemene wil van de burgers, de volonté générale.

Zo wordt het volk in zijn geheel de drager van het hoogste gezag, en dat heet volkssoevereiniteit. In die gedachte heeft het volk zelf de grondwet gemaakt, en danken regering, rechters en parlement hun macht aan de burgers. Vanzelfsprekend was dat niet. Jean-Joseph Mounier, die in dezelfde tijd leefde, vond een soeverein volk even onzinnig als een generaal die zich onder zijn eigen soldaten schikt.

Willem I als soeverein vorst (1813-1815)

Nederland heeft zelf een tijd een soeverein vorst gehad. Op 1 december 1813 werd Willem I tot soeverein vorst uitgeroepen, en een dag later aanvaardde hij die titel in Amsterdam. Bij dat soevereine vorstendom hoorde de Grondwet van 1814. Het bijvoeglijk naamwoord uit die titel krijgt een eigen uitleg bij soeverein betekenis.

Lang duurde het niet. Willem I ruilde die titel op 16 maart 1815 in voor koning der Nederlanden, en na anderhalf jaar verdween de soeverein vorst weer uit de Nederlandse staatsinrichting.



Soevereiniteit van God, van de vorst of van het volk?

Waar haalt het hoogste gezag zijn recht vandaan? Absolute vorsten beriepen zich in de zeventiende eeuw op het goddelijk recht, het droit divin. Volgens die leer was God soeverein en stond er niemand boven hem, en regeerde de vorst als zijn plaatsvervanger op aarde. Alleen tegenover God hoefde hij zich dus te verantwoorden. Dat heet godssoevereiniteit.

Bij vorstensoevereiniteit geldt juist de vorst als maker van de grondwet, het omgekeerde van wat Rousseau voor het volk bedacht. Dat het volk die rol heeft, zeggen verschillende grondwetten ronduit. In Duitsland laat artikel 20 alle staatsmacht van het volk uitgaan, en in Frankrijk kent artikel 3 het volk de nationale soevereiniteit toe. België doet het indirect, met artikel 33: ‘Alle machten gaan uit van de Natie’. Helemaal verdwenen is God als bron niet. In Nederland houden vooral orthodox-protestantse kringen vast aan godssoevereiniteit.

Hoe verliep de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië?

Op 27 december 1949 werd op twee plaatsen tegelijk getekend: in Batavia, waar de gouverneur-generaal zijn paleis had, en in het paleis op de Amsterdamse Dam. In Amsterdam zetten premier Mohammad Hatta van Indonesië en koningin Juliana hun handtekening onder de Akte van Soevereiniteitsoverdracht. Nederland stond daarmee zijn hoogste gezag in Indonesië af.

Indonesië riep zijn onafhankelijkheid al uit op 17 augustus 1945. Nederland weigerde die te erkennen, omdat het haar zag als iets wat rechtstreeks uit de Japanse bezetting was voortgekomen. Aan de ondertekening ging de Rondetafelconferentie in Den Haag vooraf, die liep van 23 augustus tot 2 november 1949. Volledig was de overdracht niet: Nieuw-Guinea bleef erbuiten, en voor die kwestie kwam pas in 1962 een oplossing.



Bij wie ligt de soevereiniteit vandaag?

Na de dekolonisatie bleef er op aarde bijna geen gebied over dat niet bij een soevereine staat hoort. Hoe die staten met elkaar verweven raken, lees je bij globalisering betekenis. In verkiezingstijd hoor je geregeld dat het volk soeverein is en dat je zijn wil moet respecteren, en op volkssoevereiniteit rust ook de democratische controle op de macht.

In Nederland stond het volk als bron van gezag al eens zwart op wit. De Bataafse Republiek schreef in 1798 in haar Acte van Staatsregeling: ‘De oppermagt berust in de gezamenlijke leden der Maatschappij, Burgers genoemd.’ De huidige Grondwet legt volkssoevereiniteit juist niet meer vast, en wetten worden afgekondigd door de koning ‘bij de gratie Gods’. De macht is in de geschiedenis van de vorst naar het volk geschoven, maar bij elke nieuwe Nederlandse wet klinkt de formule uit de tijd van de vorst nog mee.